Bijbelbespreking Ter Apel (5 & 6)

Rom. 2:1 – 24

(download)

 

Moralisten

Wie na het aanhoren van deze lijst van zonden nu het gevoel heeft gekregen dat het met zijn volk of groep wel meevalt, krijgt hier van de apostel een gevoelige tik. Als je oordeelt, veroordeel je jezelf. Jij doet dezelfde dingen! Paulus bedoelt niet te zeggen, dat de aanklager letterlijk doet, wat daarboven is beschreven. Het kan juist iemand zijn bij wie aan de buitenkant niets valt te kritiseren. Bovendien is het merendeel van deze zonden beschreven als een gevolg van Gods toorn. Hij liet de mensen immers aan hun eigen lot over en dan was al dit gedrag het gevolg. Maar de aanklager staat tegenover God net zo schuldig als de mensen die hij als ‘zondaars’ zou willen kwalificeren. Als het namelijk aankomt op het eerste gebod – het eren en danken van de ene God – is ook hij schuldig. Ook de moralist eert God niet. Door met de vinger naar de zonden van anderen te verwijzen kun je wel de indruk wekken dat het met jou wel goed zit, maar God beoordeelt het innerlijk van de mens. Wie God in zijn of haar innerlijk leven niet erkent en dankt, is net zozeer onder de toorn als degene bij wie het kwade een openlijke vorm heeft gekregen. Gods maatstaven werken dus heel anders dan die van ons.

Hebben daarom mensen geen ‘roem’, mogen ze niet geprezen worden om wat ze goed hebben gedaan? Natuurlijk wel. Het is juist heel goed om tegen elkaar te zeggen wat er goed is gegaan. Daarmee stimuleren we elkaar en dat werkt beter dan alleen maar kritiek spuien wanneer het fout gaat. Maar wij kennen alleen de buitenkant van het leven. Wij beoordelen – en veroordelen – alleen het zichtbare leven, de daden, want we kennen het innerlijk van andere mensen niet. Die ‘roem’ en eer die wij elkaar geven is dus heel relatief. We moeten blijven beseffen dat het God is die het innerlijk oordeelt. Dit alles past bij een uitspraak van de Heer Jezus: “Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?” (Mt 7:3) Een broeder merkte nog op: “Wie met een vinger naar anderen wijst, wijst met drie vingers naar zichzelf.” En zo is het!

Joden en heidenen

Paulus wilde vooral duidelijk maken dat de Christenen in Rome zich nogal druk maakten over het immorele gedrag van de heidenen, vooral wanneer ze dicht bij de joodse traditie stonden. Uit die joodse traditie hadden ze kennis van de wet verkregen en de leefregels van de Thora werden voor hen een kenmerk van goede christenen. Dat moralisme leidde echter tot een verwarring, alsof de behoudenis nu afhankelijk was geworden van goede werken. De passage die we lazen heeft daarom vooral mensen op het oog, die vanuit hun joodse levenswijze neerkeken op de immorele heidenen en bij zichzelf dachten dat zij natuurlijk God de vereiste eer gaven. God wordt echter niet geëerd door moralistische veroordelingen, maar door ‘goede daden’, dat wil zeggen door gedrag waaruit blijkt dat de schepper wordt geëerd en gedankt.

Het was in de eerste gemeente een moeilijke kwestie: hoe krijgen we joodse en niet-joodse christenen op een lijn? En dat was vooral van belang voor de viering van het avondmaal. Daarbij werd wijn gedronken, maar het was joden verboden met heidenen samen wijn te drinken. Heidenen hadden immers de gewoonte die wijn op te dragen aan een of andere godheid, een plengoffer te brengen. Dat betekende dat voor joden elke wijn die door niet-joden zelfs maar was aangeraakt, onrein was geworden, bezoedeld door afgoderij en daarom niet kon worden gedronken. Hoe kon dat dilemma worden opgelost? Sommigen meenden dat het beter was dat niet-joden eerst bij het Jodendom werden ingelijfd door de besnijdenis – niet voor vrouwen natuurlijk – en daarna pas gedoopt moesten worden met de christelijke doop.

De kerkgeschiedenis is anders gelopen. In het beroemde ‘Concilie van Jeruzalem’, de eerste grote kerkelijke vergadering waar we van weten, valt een belangrijke beslissing. Heidenen zijn aanvaardbaar als volgelingen van Jezus ook zonder besnijdenis en overgang naar het Jodendom. En de avondmaalsviering dan? Het concilie zegt dat de heidenen een aantal regels moet worden opgelegd, die in het Jodendom bekend staan als de ‘wetten van Noach’. Iedere heiden die deze leefregels aanvaardt, kan met joden in een normale omgang verkeren en krijgt dan de status van een ‘Noachide.’ En mag dan ook bij voorbeeld wijn aanraken. Tot de wetten van Noach hoorde immers de plechtige verklaring dat men de afgoden afzwoer om voortaan alleen de God van Israel te dienen. Het concilie stelt dat joodse christenen hun niet-joodse broeders en zusters voortaan moeten beschouwen als ‘Noachiden’, en legt deze regels dan ook op aan niet-joden. In Handelingen 15 wordt daarnaar verwezen met een standaard formule: “Want het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: (1) onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, (2) van bloed, van (3) het verstikte en van (4) hoererij (porneia, in de eerste plaats: verboden relaties, zoals tussen een broer en een halfzuster, rav); indien gij u hier voor wacht, zult gij wèl doen. Vaart wel!” (Hand 15:28, 29) Achter deze grote regels zitten nog tientallen andere regels die ermee verbonden waren en sommigen spraken dan ook van de Torah van Noach waarin wel meer dan 190 leefregels waren opgenomen.

De status van niet-joodse christenen veranderde hiermee ingrijpend in de praktijk. Maar een principieel punt moest ook worden geregeld. Waren heidenen aanvaardbaar voor God in het Koninkrijk? Al eerder was het Petrus duidelijk geworden, dat de heilige Geest mensen tot bekering brengt, ook buiten de joodse wet om. De hoofdman Cornelius bij voorbeeld, de voormalige militair die zo zijn best deed om rechtvaardig te zijn, krijgt de heilige Geest. Petrus is daar verbaasd over en krijgt dan in een droom het antwoord: wat eerst voor God onrein was, is nu rein. Ook de heidenen zijn nu aanvaardbaar voor God. (Handelingen 10 en 11)

Gods geduld

In vers 4 noemt Paulus nog een belangrijk aspect van het moralisme. Het is immers waar dat er in de samenleving ook veel goeds bestaat. Maar dat mogen we toeschrijven aan het feit dat God ondanks zijn toorn, toch ook ‘goedertierenheid, verdraagzaamheid en geduld’ heeft met de mensen. De reden daarvan is, dat Hij mensen tot bekering wil leiden. Het goede in de samenleving is dus niet een prestatie van de mens, maar een gevolg van het feit dat God ondanks zijn toorn, ook het goede aanstuurt en laat bestaan, soms zonder dat mensen dat zelf beseffen of willen.

De werken

Dat alles neemt niet weg, dat dit principe overeind staat: het oordeel van God volgt de maatstaf van de rechtvaardigheid. Gods oordeel is en zal in overeenstemming met de waarheid zijn. Het is geen gevolg van voorkeur. God oordeelt zonder aanzien des persoons. En wanneer we het evangelie voor een ogenblik wegdenken – zoals Paulus dat in de behandeling van Gods toorn ook even doet – dan worden we inderdaad allemaal geoordeeld naar onze daden. Maar daarmee worden juist weer niet de goede werken bedoeld in de zin van het moreel goede. Met volharding het goede doen in vers 7 slaat opnieuw op het eren en danken van de Schepper. En vervolgens wordt een intentie van het hart genoemd: heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken. God werkelijk daar zoeken waar Hij is. Wie dat doet – en uiteindelijk is dat het werk van de heilige Geest in ons – ontvangt het eeuwige leven.

 

Geen superioriteit van de joden

Paulus vervolgt in dit gedeelte zijn argument tegenover Christenen die zichzelf superieur wanen tegenover de niet-joodse christenen van Rome. Het zijn zelf geen joden - - vs. 17: ’Indien gij u dan jood laat noemen…’ – maar ze zijn ervan overtuigd dat het joodse leven zoals zij het geleerd hebben een voorwaarde is van het Christen-zijn. 

Neen! Zegt Paulus. Wie zonder Wet geleefd heeft, zal weliswaar ook zonder Wet verloren gaan, maar wie met de Wet heeft geleefd wordt door de Wet  geoordeeld en dus eveneens veroordeeld. Het komt immers aan op het doen van Gods wil. Niet de hoorders van de Wet zijn rechtvaardig, maar de doeners.

Paulus voert dat hier in als een algemeen beginsel. Het komt aan op het doen van Gods wil, en niet op de status. Er is immers geen aanzien des persoons, alsof God in iemands status geïnteresseerd kan zijn. De volgende stap in zijn betoog zal zijn, dat zowel heidenen als joden strafbaar zijn tegenover God omdat ‘niemand rechtvaardig is. ‘ (Rom. 3:10) ‘Allen hebben gezondigd.’(Rom. 5:12). Daarom hebben we allemaal gelijkelijk de genade nodig en niet iemand een beetje meer dan een ander. 

 Later pas zal hij uitleggen op welke manier dat doen van de Wet in het Christelijk geloof volbracht wordt en dat is enkele hoofdstukken later, nadat het karakter van het evangelie eerst uitgebreid uiteengezet is. Hier krijgen we steeds de indruk dat Paulus meent dat het uiteindelijk toch gaat om het verdienen van de rechtvaardiging door middel van het doen van goede werken. Dat is zeker het vanzelfsprekende geloof geweest van de Christenen in Rome die hij aanspreekt. 

Is het nu ook Paulus’ eigen visie?  Niets is minder waar. Zie bij voorbeeld Rom. 3:21: Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden…, buiten de wet om dus. En al helemaal in Romeinen 8:4 ‘…opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die…naar de Geest  wandelen.’ Wij zijn niet meer ‘onder de wet’ omdat we met Christus gestorven zijn (Rom. 7:4) en Christus is dan ook het ‘einde der wet.’(Rom. 10:4) We zullen dat allemaal nog zien wanneer we bij die passages uitkomen. 

Het grote argument dat Paulus hier tegenover joodse christenen hanteert is wat hij ziet bij de heidenen – bij iemand als Cornelius bij voorbeeld – dat sommigen van hen ook zonder dat ze over de Thora beschikken, toch proberen God te eren hun naaste lief te hebben. Zij doen dus van nature wat de Wet gebiedt. Ze zijn zichzelf tot wet, want er is geen autoriteit die het ze heeft onderwezen. Voor die mensen geldt, dat ze zullen worden geoordeeld ook volgens hun eigen geweten. (2:15) Overigens gaat dat ook niet buiten de Wet om, want bij deze heidenen is het ‘werk van de wet’ in het hart geschreven. 

Schaamte, straf en oordeel

Vers 16 spreekt over het (laatste) oordeel. Misschien is het niet volgens de catechismus, maar ik heb daar wel gedachten over. In de e3erste plaats, ik geloof niet dat Gods genade kan worden weerstaan. God heeft zijn Zoon gezonden als middelaar opdat alle mensen behouden worden. God wil dat alle mensen zich bekeren en tot erkenning van de waarheid komen. De genade van God is verschenen, en brengt heil aan alle mensen (1 Tim. 3) Als God op die wijze zijn genade in deze wereld inbrengt, zou de mens dan uiteindelijk kunnen zeggen dat hij die genade niet wil en zichzelf zo kunnen veroordelen? 

Hier zijn verschillende oplossingen denkbaar. Sommigen hebben het zo geleerd: Iedereen krijgt in zijn of haar leven een kans om Ja te zeggen tegen het evangelie. Wie uiteindelijk Nee zegt, zal verloren gaan, dat wil zeggen eeuwig gestraft worden of verloren gaan in de ‘tweede dood.’ Sommigen leerden daar nog bij dat er in het Duizendjarig Rijk, na de opstanding, een tweede kans werd gegeven aan alle mensen, die nu zonder de Satan – die is ‘gebonden’- nu in volle vrijheid voor of tegen de Zoon van God kunnen kiezen. (Ik wist trouwens niet dat dat in de NHK geleerd werd en het lijkt meer op de overtuiging van bijv. de Jehova’s Getuigen.)

Anderen hebben het zo geleerd: God heeft van eeuwigheid af mensen uitverkoren om tot de ‘zaligen’ te behoren. Als je door God niet bent uitverkoren, dan is alles wat je doet vergeefs. Het eeuwig raadsbesluit van God staat vast en toch is het je eigen schuld, want het oordeel over jouw daden is toch rechtvaardig.

Ik zelf leerde het zo: de oordeelsdag is vooral de dag dat de totale aanklacht die tegen ons kan worden ingebracht openbaar zal zijn. Maar de rechter die ons oordeelt is ook de zaligmaker die de straf voor al onze zonden gedragen heeft. Een en dezelfde rechtsgang dus van aanklacht tot vrij-spraak. Wat overblijft is het besef van de eigen tekortkomingen en daarmee de schaamte van dat oordeel. Dat willen we toch zeker wel vermijden.

Het is interessant hoe makkelijk sommigen toch roepen dat het daarmee niet gedaan kan zijn. Ie-dereen kent wel anderen van wie ze denken dat die toch maar beter niet in de hemel kunnen komen – om het maar even kort door de bocht te zegen. Zo blijken we inderdaad anderen wel tot de eeuwige verdoemenis te willen rekenen. Zijn wij zelf dan daarmee gevrijwaard van dat oordeel? Moeten we hier niet juist ons weer herinneren waarmee Paulus dit hoofdstuk begon? ‘Daarom zijt gij o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen wanneer gij oordeelt.’ Men oordele dus maar beter in het geheel niet over anderen. 

Christelijke ethiek

Is er dan geen ruimte voor Christelijke ethiek? Kunnen we dan maar raak leven? Uiteraard niet. Maar waarom zou dit evanghelie van Gods genade dan een vrijbrief zijn voor ‘raak leven?’ We zijn gered door Christus die daarmee onze Heer wordt en we zijn Hem nu liefde en gehoorzaamheid verschuldigd. Dat is geen zware plicht, dat zal bij een gelovige vanzelfsprekend het geval zijn. Die Heer zullen we dus uit dankbaarheid navolgen en gehoorzamen. Als iemand desondanks afdwaalt en zich van God afkeert, mogen we wel weten dat de genade van God ook onze eigen zwakte overwinnen zal. Is dat geen troostrijk idee? Hoe het ook zij, het betekent zeker niet dat we er maar op los mogen leven.

Onze gehoorzaamheid heeft echter een ander karakter dan in het Jodendom, waar we volgens de algemene leefregels van de Wet moesten leven. De Wet (uit het hoofd) kennen en dan toepassen in het dagelijkse leven is een krachtsinspanning die wij steeds weer koeten leveren. Zo werkt het volgens Paulus echter in het geheel niet zoals ik al zei. De Wet geeft ons wel aanwijzingen om Gods wil te vinden. Kennis van de Wet is dus zeker geen overbodige luxe. Maar het komt erop aan om te gehoorzamen op het moment dat deze Heer tot ons spreekt. En uiteraard spreekt Hij door Zijn Woord en door Zijn Geest. Je kunt dat niet van elkaar losmaken en de Bijbel gaan hanteren als een morele code, waarin precies staat wat God van ons wil. Dan kom je niet goed uit, want het is zeker niet duidelijk welke geboden dan wel en niet op ons van toepassing zijn en al evenmin of we nu het vermogen bezitten om aan de Wet te gehoorzamen. Het ‘wandelen naar de Geest’ van Romeinen 8:4 is echt iets anders dan het leven volgens de Wet, die we dan opvatten als een lijst van plichten, van ‘vermeende werken’(Rom. 9:32). Leven in de navolging van Christus, gehoorzamen aan Gods Geest die tot ons spreekt, dát is het volgen van Gods gerechtigheid. Terwijl een leven volgens regels en geboden in eigen kracht – ‘naar het vlees’- dus juist een oprichten van ‘eigen gerechtigheid’ is. (Rom. 10:3) 

We hebben hiermee een kernpunt van het evangelie aan de orde gesteld. Het was boeiend om t zien dat ook hierover de meningen nogal verdeeld zijn. Maar we kunnen niet beter doen dan ons bij de volgende besprekingen over dit punt steeds opnieuw te buigen. Want uiteindelijk is de eer van Christus zelf in het geding. Is Hij alleen onze Verlosser? Of dragen we zelf ook nog ons steentje bij?

RAV – 23-03-2012 

 

De Veertigdagentijd

Powerpointpresentatie bij de lezing over de veertigdagentijd. 

Click here to download:
veertigdagentijd.pptx (1.45 MB)
(download)
De lezing in ruwe vorm:

Click here to download:
Veertigdagentijd.doc (52 KB)
(download)

Bijbelbespreking Ter Apel (1)

Samenvatting van de eerste Bijbelbespreking in de Protestantse Gemeente Ter Apel.

Onderwerp was Romeinen 1:1 - 4

(download)
Hieronder de audio versie:

(download)

De nieuwe manier van Bijbellezen (3)

Hoe 'leest' men de Bijbel volgens de historisch-kritische methode?

Pleidooi voor een hermeneutiek die het kritische behoudt - de gegevenheid van de tekst staat voorop, en de historisch context moet verklaard worden - maar die vervolgens zoekt naar datgene waarover de tekst spreekt. Wat de tekst wil uitdrukken is belangrijker dan de reconstructie van de bedoeling van de auteur. Dan alleen kan er zicht komen op de  Bijbel als een 'partituur' van ons kerkelijke spreken, die in overeenstemming is met de benadering ervan als een object van verklaring. 

(download)

De vier pilaren van het jodendom van de Tweede Tempel periode | verbeterde versie

De vier pilaren van hoofdstuk 2 van The Parting of the Ways

 

Alle vier de files in een, met hoger volume:

(download)

 

1. Het henotheisme

(download)

2. De uitverkiezing

(download)

3. de Torah

(download)

4. De tempel

(download)

De Nieuwe Manier van Bijbel Lezen (2)

Tussen fundamentalisme en historisch-kritische methode is er een andere weg. Een nieuwe manier van Bijbel lezen is nog onvoldoende doorgedrongen tot ons kerkelijke leven. Het is de manier waarop de Amsterdamse School van Rochus Zuurmond en Karel Deurloo en het zogenaamde Bijbels Realisme van John Howard Yoder te werk gaan.

Wat betekent het, de 'Bijbel te lezen?' Niet onbelangrijk als je beseft dat de Bijbel voornamelijk bestaat uit teksten die werden voorgedragen en dus werden gehoord. In de moderne tijd zien we daarom steeds weer nieuwe vertalingen ontstaan: er is een generatie die de Bijbel niet meer kan verstaan in haar oudere vertaling SV en NBG en door anders te vertalen moet het begrip weer mogelijk worden. Dat wordt dus geleid door het idee dat het lezen van Bijbel vergelijkbaar is met het lezen van teksten waarin je snel op zoek gaat naar relevante informatie ofwel wordt vermaakt door een verhaal, want dat is onze moderne leescultuur. 

In deze podcast een omschrijving van de historisch-kritische methode en de gevolgen van die methide voor het begrip van de Bijbel en het begrip 'lezen.'

(download)

 

De Herziene Statenvertaling

Hoe goed is nu deze Herziene Statenvertaling?

Twee missers. De eerste is een gemiste kans in Genesis 13:1.

De tweede is een meegaan met een moderne vertaalkeuze die ik onbegrijpelijk vind.

Mijn tweede 'zeur' over de vertaling van de Bijbel 

(download)
Genesis 13:

Genesis_hsv

Prediker 1:2

Prediker_hsv

 

 

Bijbel Vertalingen Vergeleken

Ik heb net de Herziene Statenvertaling gekocht en ik ben heel enthousiast. Ik weet nu al zeker dat deze vertaling voor mij de vervanger wordt van de NBG 1951 die ik tot dusver gebruikt heb. 

In deze podcast vergelijk ik de Nieuwe Bijbelvertaling 2001 met de Statenvertaling editie Jongbloed en de Herziene Statenvertaling van 2010. Je kunt ze trouwens vinden via onderstaande link. 

 

http://www.biblija.net/

 

Joh_1_1_6

Vertalingen

(download)